Hebreeën 12 : 1 - 17

Hebreeën 12 : 1 -17 "met meerdere uitleggingen".

Uitleg 1. - Uitleg 2.

(12,1-11) Volgen en volhouden!

Zij die ons'voorgingen mochten de volmaaktheid niet bereiken .'zonder ons'. Bij deze laatste woorden van hoofdstuk 11 sluiten de eerste woorden van hoofdstuk 12 aan: "Daarom moeten ook wij .... de wedstrijd lopen die voor ons ligt" (12,1). Het voorrecht dat op ons is gewacht, verplicht ons om niet op ons te laten wachten.

We zijn immers omringd 'door zo'n menigte geloofsgetuigen'. Het grote aantal van hen die voorgingen in geloof en volharding doet de schrijver kiezen voor het woord 'wolk' (nephos). Zoals een zandwolk of een stofwolk ontelbare deeltjes kent en toch als eenheid op ons afkomt, zo zijn er vele individuele getuigen die samen toch als een gemeenschap om ons heen staan, verbonden als ze zijn door één Geest. Het is heel goed mogelijk dat de auteur het woord 'wolk' mede heeft gekozen omdat de voorgangers inmiddels zijn opgenomen in de hemel. Zij verblijven niet meer op aarde. Als een hemelwolk zweven zij boven ons.

De voorgangers worden 'getuigen' genoemd: dit woord ziet terug op 11,2.

Daar stond dat aan de ouden vanwege hun geloof 'een (goed) getuigenis' werd gegeven. Omdat God hen prees en in de Schriften tot voorbeeld stelt, zijn ze 'getuigen' voor de waarheid van de belofte en van de kracht van het geloof. Wie twjjfvelt of het wel zin heeft om af te gaan op 'wat niet gezien wordt' (11,1.3) moet maar eens kijken naar de m.ue.d en de volharding van deze getuigen en moet maar eens luisteren naar hun woorden. -

Deze wolk van getuigen beschaamt de wereld: waarom wil zij nog steeds niet overtuigd raken? Er zijn toch getuigen (bewijzen) genoeg! Voor de gelovigen vormt deze wolk een ring om hen heen: zij zijn er door 'omringd'. Op de achtergrond staat hier het beeld van het amfitheater, waar het publiek rondom op de tribunes zit en de hardlopers in de renbaan met vurige uitroepen aanspoort.

De lezers van de brief ('wij') kunnen namelijk vergeleken worden met mensen "die de wedstrijd lopen die voor hen ligt". Het is voor niemand op aarde al een gelopen race. Geloof vraagt om volharding: de renner op weg naar het hemels heiligdom loopt zich op aarde nog in het zweet! Maar de hemelwolk van getuigen gaat als een wolkkolom voor ons uit en spoort daardoor de gelovigen aan tijdens deze wedloop: de finish van deze geloofsrenbaan is al door velen bereikt! Het komt ook voor ons nu aan op 'volhouden' (hupomonè): "laten we vastberaden de wedstrijd lopen".

Beelden die aan de sport zijn ontleend werden in de oudheid. veelvuldig gebruikt bij morele aansporingen (zie Croy 43-58). Terwijl de beelden dan vaak ontleend worden aan de sporten worstelen en boksen, kiest de auteur van Hebreeën voor marathonbeelden. Het gaat bij hem immers~m een agressieve actie van mens tot mens, of om een directe confrontatie met één bepaalde zonde, maar om een algehele inspanning en volharding vanwege het risico van tempove~door geloofsverzwakking.

Reeds in de eerste zin van hoofdstuk 12 duidt de schrijver aan, welke inzet het vraagt om zo'n wedstrijd uit te lopen: "Wij moeten de lást van de zonde, waarin we steeds weer verstrikt raken, van ons afwerpen" (NBV). In het Grieks staat dat wij "alle last moeten afwerpen en de zonde". De zonde is een last, maar er zijn ook lasten die geen zonde zijn en toch wel hinderen. -XZoals hardlopers elk overbodig kledingstuk afwerpen en afzien van welke bagage dan ook, zo moeten gelovigen leren afzien 'van elke last'. Medailles worden niet gewonnen door wie zich niets wil ontzeggen!

Het kai tussen de woorden 'last' en 'zonde' wordt door sommige exegeten uitgelegd als epexegetisch: "last die bestaat uit zonde" ( .... ). Andere exegeten zijn van mening dat de 'last' en de 'zonde' naast elkaar worden gezet als vergelijkbare zaken: "last en dus ook de zonde"( ). Het laatste standpunt verdient de voorkeur omdat de schrijver spreekt over 'alle last' zodat de indruk ontstaat dat de daarna genoemde zonde één van die lasten is (in de NBV is dit 'alle' weggelaten, waardoor gemakkelijker epexegerisch vertaald kon worden 'de last van de zonde'). Op de renbaan naar het hemels heiligdom en naar de stad die niet door mensen is gebouwd, is het in het bijzonder 'de zonde' die afremt en doet struikelen. In het vervolg zal concreter over de mogelijke zonden worden geschreven, de auteur volstaat nu met het kort aanduiden van alles wat haaks staat op Hem die roept en op het doel dat voor ons ligt. 'Zonde' is alles dat afleidt en stoort in de volmaakte toewijdin aan God.

Zij wordt gekarakteriseerd als uperistatos.lDit is een uniek woord. Lane wil dit probleem oplossen door een weinig voorkomende lezing te volgen waarin een wat bekender woord gebruikt wordt ieuperispastos, 'gemakkelijk de aandacht afleidend'). Bijna alle handschriften hebben echter het onbekende woord euperistatos en deze lezing dient dan gevolgd te worden (Ellingworth). Het woord kan hier betekenen dat de zonde 'soepel om je heen glijdt' (verg. Weiss). Veel exegeten denken dan aan een strik waarin'). men gemakkelijk vast komt te zitten. Van een 'strik' kan men echter niet x zeggen dat deze 'afgelegd moet worden'. Blijkbaar is ook de zonde iets dat ,: men zélf dreigt mee te slepen. Een hardloper komt niet gauw in de verleiding om een lastig blok graniet mee te dragen in de renbaan, maar de zonde lijkt helemaal niet belemmerend of zwaar. Zij lijkt gemakkelijk te combineren met het hardlopen. De zonde 'wordt gemakkelijk meegenomen'. Zij voelt niet zwaar, maar zij is in werkelijkheid als een verstikkende klimoprank. ·

Het probleem is nu niet dat de hardloper geen zonde moet opnemen, maar dat hij die 'van zich moet afwerpen'. Met andere woorden: de zonde legt onopvallend beslag op je ('glijdt soepel om je heen') en wanneer je niet waakzaam bent en deze weinig wegende slang op tijd van je afwerpt, zul je onderweg gebeten worden en ten val komen.

De wedloop kan mislukken door de zonde en daarom moet die last worden afgeworpen, maar de wedloop is daarmee nog niet gewonnen: hij kan alleen gewonnen worden door wie zich voortdurend oriënteert op de grote Voorloper en Coach (12,2). Dat is Jezus. Hij staat aan het begin en aan het einde: Hij is de Voorman en de Voltooier van het geloof. Als archègos is Hij de grondlegger en leidsman (Hnd.3,15; Heb.2,10) van het leven, de redding, het geloof. En als teleiootès is Hij degene die het afmaakt en voltooit (Croy1 ). Hij is het die de wedloper vanaf het begin heeft leren sprinten en die ook zorgt voor de conditie die nodig is om de finish te bereiken. Ook de wedlopers in het geloof hebben van begin tot eind een coach nodig om het doel te bereiken. Gelovigen moeten Jezus nooit uit het oog of uit het hart verliezen , op de weg naar het hemelse doel.

Jezus is anders dan de wolk van getuigen. Hij geeft geen support van terzijde, vanaf de tribune, maar Hij is de grote wegbereider en ook ons doel en onze bestemming. Aan het einde van de wedloop wacht Hij op ons: "Hij nam plaats aan de rechterzijde van de troon van God". Hij is voor iedere christen de Weg, de Waarheid en het Leven. Door Hem mogen wij binnenkomen in het hemelrijk.

Jezus is de unieke wegbereider, maar in de manier waarop Hij dit werd, is Hij ook meteen een voorbeeld voor de gelovigen: "Denkend aan de vreugde die voor Hem in het verschiet lag, liet Hij zich niet afschrikken door de  schande van het kruis. Hij hield stand!" Jezus wist in zijn lijden dat Hij naar de Vader ging en verheerlijkt zou worden (Joh.17,1-3) en daarom heeft Hij de bittere drinkbeker van het lijden  ondanks zijn bede dat die zou mogen voorbijgaan toch aangenomen uit de hand van zijn Vader (Mc.14,36-42) en Hij heeft zelfs de schande van ontkleding en kruisiging verduurd (Joh.19,16- 30). Zo past de rij van getuigen die volhardde ondanks bittere vervolging en dood (Heb.11,32-38) bij deze Voorganger. Zijn eigen weg is voor de lezers een bemoediging om de weg naar Hem met volharding en zelfverloochening af te leggen. Wanneer geloven op aarde niet goedkoop is, mogen de gelovigen bedenken dat hun redding door de Stichter en Voleinder van het geloof nog veel meer heeft gekost aan de Zoon van God die nu aan de rechterhand van God zetelt. Lane sluit aan bij een exegese uit de Oude Kerk: Jezus heeft het lijden gekozen in de plaats van (anti) de vreugde die Hij bezat (die 'voor Hem lag' [prokeimenè] in de betekenis van: tot zijn beschikking staan). Croy 178-185 bespreekt deze exegese uitvoerig voordat hij haar verwerpt om te kiezen voor het vooruitzicht als motief om het lijden te verdragen in ruil voor (anti) de 'toekomstige vreugde' (zo ook Bruce, Weiss).

In 12,3 lezen we dan ook een oproep om de weg van Jezus 'tot ons te laten doordringen'. Wees geen vluchtige hoorders, maar herinner u en gedenk en overweeg steeds opnieuw hoe Jezus zijn lichaam en bloed gaf tot een volkomen verzoening van al onze zonden: "Laat tot u doordringen hoe Hij standhield toen de zondaars zich tegen Hem verzetten, opdat u niet de moed verliest en het opgeeft". Alleen door concentratie en meditatie zal de gelovige deze wedstrijd kunnen uitlopen!

Het begin van hoofdstuk 12 grijpt met deze aansporing tot 'volharding' weer terug naar wat hierover reeds rechtstreeks tot de lezers was gezegd in 10,36: "Blijf juist volharden, want als u de wil van God doet, zult u ontvangen wat u beloofd is". Deze oproep is inmiddels onderbouwd met de in hoofdstuk 11 breed uitgewerkte verwijzing naar de vele voorgangers. En zij wordt nu verder uitgewerkt in de verzen 4vv. van hoofdstuk 12.

De aansporing om vol te houden wordt niet voor niets zo dringend gebracht en uitgewerkt. Bij de lezers is, zoals al vaker in de brief werd geconstateerd, het gevaar aanwezig dat zij verslappen en opgeven. Dat zij afhaken en het parcours verlaten. Maar dat zal dan ook betekenen dat ze, van Jezus afziende, de weg van de belofte kwijtraken. Dit afhaken dreigt omdat men te weinig werk maakt van wat in 12,1 al werd genoemd: het afschudden van de zonde.

In 12,4 komt de schrijver terug op deze strijd tegen de zonde. "U hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde" (NEG-vertaling 1951). Dit betekent dat men nog maar wat halfslachtig deze strijd voert: men wil er niet bij bezeerd raken. Men is wel tégen de zonde, maar wanneer het al teveel kost ('bloed') om van de zonde af te komen, verslapt men en laat men de zonde ongemoeid. Het is mogelijk dat bij 'bloed' zelfs concreet gedacht moet worden aan het martelaarschap: "U hebt in uw strijd tegen de zonde uw leven nog niet op het spel gezet" (NBV). Maar ook bij deze concretisering blijft het toch gaan om het punt dat de gelovigen terugdeinzen voor een strijd die hen teveel zou kosten. Dit staat dan in schril contrast met de houding van vele voorgangers die in hun strijd om te volharden hun geloof zelfs moesten bekopen met de dood (11,35b-38). Wat de lezers nodig hebben, is een meer resolute levenshouding in de wedstrijd van het geloof.

De moeiten waarmee de gelovige te maken krijgt, zijn namelijk trainingsmomenten: zij stalen het geloof. Maar dan moet men ze niet ontlopen! Deze gedachte wordt uitgewerkt in 12,5-11. Daarna keert de schrijver in 12,12-13 terug tot de algemene oproep om te werken aan een goede conditie en om dus de daarop gerichte training niet te ontlopen.

Een citaat uit Spreuken 3,11-12 leidt de uitweiding over de trainingsmomenten in (12,5-6). De lezers lijken de 'bemoediging' van Spreuken 3 wel 'vergeten' te zijn. En dat terwijl die bemoediging hen juist als 'kinderen' aanspreekt:

"Mijn zoon, je mag een vermaning van de Heer nooit terzijde schuiven en nooit opgeven als je door Hem terechtgewezen wordt, want de Heer berispt wie Hem liefheeft, straft elke zoon van wie Hij houdt."

Meteen in 12,7 begint de schrijver deze spreuken toe te passen op de situatie van de lezers. De vermaning uit de spreuk om 'nooit op te geven' past bij de vermaning van de brief om 'vol te houden'. Dit thematische woord staat in het begin van vers 7 (hupomonè) en er wordt nu van gezegd dat wij moeten volhouden 'tot opvoeding' (eis paideian). De volharding (en de daarbij behorende inspanning) staat in het kader van vorming en training. Dat is een positieve zaak: "God behandelt u als zijn kinderen". Wat soms lastig of veeleisend lijkt, is in feite de zorgzame vaderlijke training van zijn kinderen. De worsteling tegen de zonde is ook 'een leerschool' (NBV). En dan een leerschool waar kinderen door een Vader wórden'gêvormd. Echte vaders wijzen immers ook terecht of stellen soms moeilijke eisen: "Welk kind wordt niet door zijn vader berispt?"

Laten de lezers maar blij zijn dat hun hemelse Vader werkt aan hun conditie opdat ze volharden en het doel bereiken: "Als u die leerschool niet doorloopt zoals alle anderen vóór u, dan bent u geen kinderen, maar bastaards" ..:.. (12,8). De strijd en het lijden van de 'anderen vóór ons' (breed omschreven in hoofdstuk 11) was ook een leerschool: God oefende hen in volharding en louterde hen door lijden. Zo bléven zij kinderen en erfden de belofte. Maar wie onder de hand van de hemelse Vader wegkruipt, blijkt Hem niet te vertrouwen en gedraagt zich als een niet-kind. Maar daarmee staat ook de erfenis op het spel! De schrijver heeft nu voor God de Vader het beeld van een opvoeder ingevoerd, maar hij haast zich om aan te geven dat God méér is dan een aardse opvoeder (12,9-10). Voor aardse opvoeders 'door wie wij werden opgevoed, hadden we respect'. Er is alle reden om des te meer ons te onderwerpen aan het gezag van de goddelijke Vader. Waarom? Omdat we dan 'zullen leven'. Aardse vaders helpen ons om op een goede manier de weg te gaan in dit leven: tot aan de dood! De hemelse Vader voedt ons op tot het eeuwige leven in zijn hemelse glorie. Hij is immers niet de vergankelijke vader van sterfelijke kinderen, zoals onze aardse vaders, maar Hij is de 'Vader van alle geesten'. Hier is niet te denken aan engelen: zij worden in 1,14 als 'dienende geesten' juist onderscheiden van kinderen (verg. 2,14-16). Wanneer God de 'Vader van alle geesten' wordt genoemd, is te denken aan de 'geesten van de rechtvaardigen die tot volmaaktheid zijn gekomen' (12,23). Dit zijn dus de vele getuigen die ons voorgingen, breed getekend in hoofdstuk 11 en aangeduid als wolk van getuigen die ons omringt (12,1). Juist omdat God zich bewezen heeft als opvoeder 'ten leven' van al deze volhardende voorgangers die nu als geesten reeds leven in de hemelse gewesten, is er alle reden om ons ook zelf niet te onttrekken aan zijn leerschool. De finish van de zware renbaan is veelbelovend!

In 12,10 vult de schrijver de vergelijking tussen de aardse vaders en de hemelse Vader nog op een andere manier in. Aardse vaders, hoe goedbedoelend ook, hebben hun grenzen. Hun tijd is beperkt: 'zij berispten ons maar voor korte tijd'. En hun inzicht is begrensd: 'zij berispten ons naar eigen goeddunken'. Zo goed en zo kwaad als ze konden, deden ze hun werk in onze jeugd en zo lang ze leefden. Daarentegen voedt de heilige God zijn kinderen alleen maar op 'voor onze eigen bestwil'. Dit is ook wel de bedoeling van goede aardse vaders, maar de uitvoering van deze goede bedoeling wordt begrensd door hun eigen beperktheid. De almachtige en alwetende God zorgt echter dat zijn leiding van ons leven, ook in verdrukkingen, altijd ons ten goede is. Ook wanneer wij door ons begrensdheid dat niet áltijd doorzien. -En terwijl aardse vaders vaak onmachtig zijn om hun doel te bereiken, is de hemelse Vader bij machte 'ons te laten delen in zijn heiligheid'. De beoogde metamorfose van een zondaar tot een heilige zal ook zeker worden bereikt in deze leerschool van de Vader van alle geesten. Zijn macht garandeert het bereiken van het doel.

Gods goede bedoeling met zijn kinderen kwam reeds ter sprake in 2,lOvv.: "Want om vele kinderen in zijn luister te laten delen, achtte God, voor wie en door wie alles bestaat, het passend de bereider van hun redding door het lijden naar de uiteindelijke volmaaktheid te voeren".

Dat deze opvoeding op het moment zelf niet altijd prettig voelt, is begrijpelijk. De gouden zinnen over Gods bedoeling worden gesproken tot mensen ,, die nog zwoegen en zweten onder deze opvoedende training. De schrijver is ,, zich dit bewust en hij brengt het gevoel van zijn lezers in 12,11 onder woorden om er ruimte aan te geven. "Een vermaning lijkt op het moment zelf geen vreugde te brengen, slechts verdriet, maar op den duur plukt wie erdoor gevormd is er de vruchten van: een leven in vrede en gerechtigheid". ( 12, 12-17) Deserteer niet!

In 12,1-11 heeft de schrijver een nieuw argument ingevoerd om te volharden in het navolgen van de voorgangers in geloof: de beproevingen die deze wedloop meebrengt zijn onderdelen van de goddelijke opvoeding voor de toekomst! In 12,12 komt hij nu met een 'daarom' (dio) weer terug bij die oproep om te volharden (12,3-4). Hij neemt als het ware een nieuwe aanloop en nu beklemtoont hij dat het bereiken van het doel actieve strijd tegen de ,, zonde vraagt (verg.12,1: het afleggen van de last van de zonde). Volhouden betekent dat men de eigen conditie niet verwaarloost en dat men alles inzet om te winnen. "Hef daarom uw slappe handen op, strek uw knikkende knieen, en kies rechte paden, zodat een voet die gekneusd is niet verder ontwricht raakt, maar juist geneest" (12,12-13 ). Het beeld van de wedloop staat hier evenals in 12,1-2 weer op de achtergrond. De sportman activeert handen en knieën: alleen zo kan hij tempo maken. En hij moet zorgen dat hij de baan van het parcours houdt. Wanneer hij niet in de baan blijft, maar die verlaat, loopt hij het risico van struikelen of zwikken en dan zal de voet wanneer die in slechte conditie was - het helemaal laten afweten. Wie in de baan blijft, werkt aan versteviging van zijn enkelbanden.

De NEG-vertaling 1951 geeft dit element als volgt weer: "en maakt een recht spoor met uw voeten". De woorden komen in het Grieks overeen met Spreuken 4,26 (orthas trochias poiei sois posin). Het Griekse woord trochia dat hier wordt gebruikt, is niet zonder meer een 'weg': het is een wielspoor of een velg. Men moet met zijn voeten goede banen trekken! De bedoeling is dat de loper zich houdt aan de baan, het parcours. Hij moet daarbinnen blijven. Of het parcours nu rond is of recht: de loper loopt recht toe recht aan. En dat is nodig, want wie van de baan raakt, verliest de controle over zijn lichaam. De NBV-vertaling ('kies rechte paden') wekt door het weglaten van de woorden 'met uw voeten' en door de vertaling 'kies rechte paden' de indruk dat het hier gaat om de keuze van een rechte weg, terwijl het in werkelijkheid gaat om het blijven in dejuiste baan (Holwerda:"Zorgt dat je bij het lopen je pad recht houdt").

Wat betekent deze beeldspraak nu voor de realiteit van het christenleven? In 12,14-15 noemt de schrijver eerst (vers 14) de twee voornaamste zaken die hier bedoeld zijn: 1. vrede met allen; 2. heiliging. Op het eerste gezicht lijken dit nogal uiteenlopende onderwerpen. De vrede met allen betreft de onderlinge band in de gemeente, terwijl de heiliging gericht is op de hemelse God. Die twee onderwerpen komen echter al dichter bij elkaar wanneer we hier alternatieve formuleringen in zien voor wat elders heet 'de liefde tot God en de liefde tot de naaste': die vormen immers samen de hoofdzaak van wet en profeten (Mt.22,37-40). Bovendien zal in vers 15 worden aangegeven hoeveel interactie er is tussen enerzijds onze heiliging en anderzijds onze onderlinge vrede.

'Streef ernaar in vrede te leven met allen'. Het werkwoord diookein betekent 'vervolgen, achternazitten' (NEG-vertaling 1951: "Jaagt naar vrede met allen"). Zoals bij een jacht de jagers zich volledig concentreren op het beoogde wild, zo moeten christenen alles op alles zetten om met allen in vrede te leven. Omdat twist en tweedracht vanzelf ontstaan, vraagt vrede met allen juist veel aandacht en zelfverloochening. Deze vrede staat hier opvallend op de eerste plaats omdat Gods doel juist is een nieuw, vreedzaam volk te werven uit een mensheid vol moord en doodslag en haat. In de zaligsprekingen, grondwet van het hemelrijk, lezen we: "Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden" (Mt.5,9).

'En leid een heilig leven': in het Grieks wordt zowel van de vrede als van de heiliging gezegd dat we die moeten 'najagen'. Ook bij de heiliging geldt dat zij veroverd moet worden: het is een buit die ons niet zomaar ten deel valt. Wie niet op jacht wil gaan naar dit doel, zal het in deze onheilige wereld nooit bereiken.

Deze heiliging in een aan God toegewijd en zuiver leven is nodig: 'zonder deze zal niemand de Heer zien'. In 12,10 lazen we dat Gods opvoedingsmethode erop is gericht dat wij deel krijgen 'aan zijn heiligheid'. Jezus zegt in de bergrede: "Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien" (Mt.5,8). Het is mogelijk dat de schrijver zinspeelt op dit woord van Jezus. Om God te zien, moeten mensen zuiver van hart worden. En om dat te bereiken moeten we als zondaren 'op jacht gaan naar heiliging'.

In de daarop volgende zin (12,15) wordt de noodzaak van dit 'najagen' duidelijk gemaakt. Wanneer christenen zich niet helemaal inzetten voor vrede en heiliging, gaan er vanzelf heel andere dingen gebeuren. "Zorg ervoor dat niemand zich de genade van God laat ontgaan, dat er geen giftige kiem opschiet die onrust veroorzaakt en met zijn bitterheid velen besmet". Dit zijn de dingen die vanzelf gebeuren: Gods genade weer kwijtraken en het opschieten van het giftige onkruid van de verdeeldheid. Wie dit kwaad wil bezweren, moet preventief bezig zijn. Nalatigheid geeft juist ruimte aan deze wildgroei. Let dus goed op (episkopountes) dat dit voorkomen wordt!

Wie in zijn of haar leven niet actief jaagt naar heiliging, blijft niet stilstaan maar zal alles verliezen. De genade van God is een gunst die mensen kunnen verspelen, zoals de man die het ene talent onder de grond begroef en het helemaal kwijtraakte (Mt.25,24-30). En zonder Gods genade is de zondaar reddeloos verloren!

Giftige kiemen krijgen ruimte op de akker die niet bewerkt wordt. Wanneer niet gejaagd wordt naar vrede en heiliging, dreigt men niet alleen Gods genade te verspelen, maar men zal ook bitterheid tussen christenen zien opgroeien. Alleen het zonlicht van Gods genade doet de gemeenschap glanzen. Wanneer dat licht zich terugtrekt, wordt het kil in de kerk: de menselijke naijver en twist krijgen weer hun kans om op te groeien. En dit onkruid grijpt snel om zich heen: het verstikt velen. Onvrede is een zeer besmettelijk kwaad.

In 12,14-15 waarschuwt de schrijver de lezers dus voor de rampzalige gevolgen die verslapping zal hebben voor hun eeuwig behoud en voor hun onderlinge gemeenschap. Hij voegt er een concreet en ernstig voorbeeld aan toe in 12,16: "Dat niemand overspel pleegt of het heilige zozeer minacht als Esau, die voor één enkel bord eten zijn eerstgeboorterecht verkocht". Het verhaal over Esau is kennelijk bekend bij de lezers: zij wisten uit de lezing van Genesis 25,29-34 dat hij eens vermoeid thuiskwam van de jacht en van zijn broer Jakob brood en linzensoep kreeg in ruil voor zijn eerstgeboorterecht. Waarom gebruikt de schrijver dit voorbeeld? En dan in combinatie met het voorbeeld van een 'overspeler'? Het is niet onmogelijk dat hier wordt aangesloten bij het besluit van de apostelen (Hnd.15). Alle christenen moeten zich onthouden van "offervlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, van bloed, van vlees waar nog bloed in zit, en van ontucht" (Hnd.15,29). Uit Paulus' eerste brief aan de Korintiërs blijkt hoe belangrijk de vraag naar het eten van vlees uit de tempels van de afgoden was ( 1 Kor.8-10). Gemakkelijk kon daarmee een tolerante houding tegenover ontucht en overspel gepaard gaan in de gemeenten (voor Korinte zie 1 Kor.6,12-20). In Tyatira was· zelfs een profetes van wie Jezus zegt dat ze "mijn dienaren met haar uitspraken tot ontucht en het eten van heidens offervlees verleidt" (Op.2,20). In Hebreeën 12,16 kunnen overspel en minachting van het heilige ter wille van eten 'aan de tafel der afgoden' (1 Kor.10,21) gemakkelijk als twee kernzonden worden genoemd omdat ze beide voorkwamen in het apostelbesluit en omdat ze blijkbaar ook in de praktijk van de gemeenten bij sommigen een gevoelige rol konden speelden.

De keuze van deze twee voorbeelden zegt iets over de aard van de verslapping onder de Hebreeën. Hun religieuze en ethische verslapping hield direct verband met hun afnemende erkenning van Jezus als Heer. Het waren zijn (apostolische) geboden waar men nonchalant mee omging. Maar dit betekent ook afnemende interesse in Jezus. Niet voor niets spoorde 12,2 aan om de blik wél gericht te houden op Jezus, die begon met ons het geloof te geven en die het ook als enige kan voltooien. Wanneer de lezers joodse christenen waren, kon hun verslapping ook gemakkelijk uitmonden in een terugkeer tot de traditionele religiositeit zonder geloof in Jezus (verg. Rhee 154-6). Zo hebben ook vele aanvankelijke volgelingen van Jezus onder de Joden, later toch afgehaakt Uoh.6,66).

Waarom is het voorbeeld van Esau zo veelzeggend voor wie als overspeler leeft of net als Esau minder waarde gaat hechten aan zijn van de Here ontvangen voorrechten? Omdat het vervolg van Esau's geschiedenis laat zien waarop dit uitloopt (12,17). "U weet immers dat hij daarna, toen hij alsnog de zegen wilde verkrijgen, afgewezen werd; hij kreeg geen kans meer om het goed te maken, ook al smeekte hij er in tranen om". De gevolgen werden niet onmiddellijk zichtbaar. Pas later, toen Esau dacht dat hij als oudste zoon lsaaks belangrijkste zegen zou ontvangen, werd duidelijk dat hij te laat was en voor een dichte deur kwam te staan (Gn.27).

Esau vond geen 'plaats voor berouw' (NBG-vertaling 1951). Wat betekent dit? Het lijkt alsof hij ontdekte dat hij geen spijt kon hebben over het gebeurde. Lane kiest voor deze (dogmatiserende) uitleg: het feit dat God Esau verwierp blijkt dan daaruit dat Hij hem niet meer de gave van het berouw schonk (Ellingworth: Esau zocht tevergeefs bij God de mogelijkheid van berouw). Hierbij past echter niet dat hij dit 'berouw onder tranen zocht'. Wie 'berouw zoekt' en dat 'met tranen' is zich nog van berouw bewust! Het is dan ook niet zo dat de schrijver van Hebreeën hier een dogmatische conclusie trekt uit het verhaal in Genesis (Lane). Hij verwijst juist naar de feiten van dit verhaal. De 'tranen' van Esau worden in Genesis 27,38b vergoten op het moment dat vader Isaak op geen enkele manier te bewegen is om de reeds aan Jakob weggegeven zegen of een daarmee vergelijkbare zegen alsnog aan Esau te schenken (Gn.27,36-37). Wat Esau 'zocht' was een ommekeer bij zijn vader (Holwerda 73-76). Hij zoekt (bij een ander) een 'plaats' voor ommekeer. Maar die ommekeer was niet meer mogelijk (metanoia betekent hier dus niet 'berouw' of 'bekering', maar het woord heeft hier de basisbetekenis van 'omkeer, verandering'). Het verlies van het eerstgeboorterecht was onomkeerbaar geworden! Er is geen plek meer te vinden waar dit ongedaan gemaakt kan worden. Esau constateert het met spijt, want inmiddels heeft hij berouw over de verkoop van dat eerstgeboorterecht.

Voor de lezers moet dit voorbeeld duidelijk maken dat het christelijk geloof niet een modaliteit is binnen het jodendom. Jezus is de énige Weg, de hogepriester naar de orde van Melchisedek. Zonder Hem is er geen zegen. Daarom is het zo belangrijk om het voorbeeld van de voorgangers in het geloof te volgen en volhardend de wedstrijd van het christelijk geloof te lopen, ziende op Jezus en gericht op de heiliging.

Uitleg 2 bij Hebreeën 12 : 1

De tuchtiging van de Heer 12:1-13 De volharding van de gelovigen van weleer is een voorbeeld voor de gelovigen van vandaag (vgl. Heb.6:12 -Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt van hen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven. ); dat is het thema van dit vers. Met een benadrukt ‘ook wij’ wijst de schrijver op de verantwoordelijkheid die hij en de lezers hebben; ook van hen wordt ‘volharding’ verwacht. Als illustratie dient het beeld van de wedstrijd (vgl. 1Kor.9:24 - Weet gij niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat één de prijs ontvangt? Loopt alzo, dat gij die moogt verkrijgen.
vv.; Fil.3:12 -Niet dat ik het reeds gekregen heb, of reeds volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik door Christus Jezus ook gegrepen ben.
 vv.; 2Tim.4:7 -Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;
 ). Met ‘hebbende een zo grote ons omgevende wolk van getuigen’ wordt a.h.w. het beeld opgeroepen van een stadion dat vol zit met toeschouwers. Echter, het woord martur (getuige) wil veel meer zeggen dan ‘toeschouwer’. Het gaat hier immers om de geloofsgetuigen uit hoofdstuk 11. Zij zijn degenen van wie God in de Schrift getuigenis heeft laten afleggen (vgl. Heb.11:2 Want daardoor hebben de ouden getuigenis bekomen, 4 Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, waardoor hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door het geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.
 , 5 Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat God hem weggenomen had; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.
, 36 En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis;
 ). Zij hebben zelf de wedloop van het geloof reeds volbracht (vgl. Heb.12:23 Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;
 ) en zijn zo tot een voorbeeld voor de gelovigen. Het woord nephos (wolk) wordt in de Griekse literatuur wel vaker gebruikt voor een grote aaneengesloten menigte. Dit grote aantal getuigen verplicht de gelovigen des te meer om evenals zij te volharden (vgl. 1Tim.6:12; Strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, waartoe gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.
 2Tim.2:2 En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren.
 ).
Met ‘afleggen iedere last’ blijft de schrijver nog een moment in de symbooltaal van de wedstrijd. De hardloper moet zich zo licht mogelijk maken. Daarbij zal gedacht zijn aan het afleggen van iedere zondelast en wereldsgezindheid (vgl. Rom.13:12 De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen van het licht.
 ; Ef.4:22,Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;
  25 Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een ieder met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden.
 ; Kol.3:8 Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond.
 ; Jak.1:21 Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken.
 ; 1Pet.2:1 Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle kwaadsprekerijen;
 ) en ook wel aan het afleggen van de ceremoniële wetten van het oude verbond, die waren ‘opgelegd’ (Heb.9:10 Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen des vleses, tot op de tijd der verbetering opgelegd.
 ). De zonde wordt hier eu-peri-statos (gemakkelijk-eromheen-stellend) genoemd. Dit woord, dat verder in de Griekse literatuur niet voorkomt, zal zoveel betekenen als ‘gemakkelijk verstrikkend’ het karakter van de zonde is dat de mens er in verstrikt raakt (vgl. Mat.13:22 En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de bekommernis van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
 ).

Uitleg 2 bij Hebreeën 12 : 2

Niet alleen de getuigen (vs.1) moedigen door hun voorbeeld de gelovigen aan; bovenal zal het geloof van de Here Jezus Zelf hun tot steun zijn. ap-horōntes (weg ziende, vgl. Heb.11:26 Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.
 ) geeft aan dat de gelovigen alléén hun oog op de Here Jezus moeten richten; de werkwoordsvorm maakt tevens duidelijk dat het om een voortdurende opdracht gaat.
De Here Jezus wordt hier ‘leidsman en voleinder van het geloof’ genoemd. Sommigen lezen hierin dat de Here Jezus in de gelovigen het geloof bewerkt (begint) en dit geloof ook tot een goed einde brengt (vgl. Fil.1:6 Vertrouwende dit, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal op de dag van Jezus Christus;
 ), maar dat is hier niet de bedoeling. De Here Jezus is hier niet de bewerker van het geloof, maar het gaat om het geloof van Jezus Christus Zelf. archēgos (leidsman, aanvoerder, eerste, vgl. Heb.2:10 Want het betaamde Hem, om Wie alle dingen zijn, en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.
 ; Hand.3:15 En de Vorst des levens hebt gij gedood, Die God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.
 ) houdt dan ook in dat Jezus Christus ons in het geloof is voor gegaan (vgl. Heb.6:20: Waar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizédek, een Hogepriester geworden zijnde in eeuwigheid.  voorloper), zodat wij Hem kunnen volgen. teleiōtēs (voleinder) betekent hier dan ook dat hij op de weg van het geloof het einddoel heeft bereikt (vgl. Heb.5:9 En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden;
 ). Het voorzetsel anti (tegenover, in plaats van, in ruil voor) heeft hier waarschijnlijk net als in vs.16 de betekenis ‘in ruil voor’. Met ‘de schande niet achtende’ wordt bedoeld dat het sterven aan het ‘kruis’ (een schandelijke manier van sterven) voor Jezus niet opwoog tegen ‘de vreugde’ die Hij zou ontvangen (vgl. Rom.8:17 En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; indien wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
 ,18 Want ik houd het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.
 ). ‘vreugde’ is evenals in Jes.55:12Want in blijdschap zult gij uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvels zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle bomen des velds zullen de handen samenklappen.
  66:10  Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Weest vrolijk over haar met vreugde, gij allen, die over haar zijt treurig geweest!
 een teken van de Messiaanse heerlijkheid.
hup-emeinen (hij heeft verdragen, hij heeft volhard) verwijst direct terug naar de hupo-monē (volharding, geduld) in vs.1 die van de gelovigen wordt verwacht. Zie voor ‘aan de rechterkant van de troon van God’, Heb.1:3Die, alzo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen;
  13;En tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten?
  8:1De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanige Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen:
  10:12.  Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods;
  De perfectumvorm kekathiken (hij is gaan zitten) die steunt op de meeste tekstgetuigen, wijst erop dat Jezus Christus nog altijd aan de rechterzijde van de Vader zit.

Uitleg 2 bij Hebreeën 12 : 3

De lezers worden nu opgeroepen om hun aandacht te bepalen bij het lijden van Jezus Christus. Wanneer ze dat tot zich laten doordringen, zullen ze ontdekken dat hun lijden nog niet zo erg is. ana-logisasthe (let op, denkt na over) is een gebiedende wijs van het aoristus, dat een direct te vervullen opdracht aangeeft. De schrijver wil dat zij zich direct het beeld van het lijden van Christus voor ogen stellen, zodat hij ze van daaruit verder kan onderwijzen. Gedurende Zijn hele leven doorstond Jezus ‘de tegenspraak van de zondaren’. Mogelijk heeft de schrijver met opzet het woord ‘tegenspraak’ gekozen, omdat ook de lezers op dit moment (mondelinge) ‘tegenspraak’ te verduren hebben. De ‘tegenspraak’ die Jezus ontmoette, was echter ‘zo groot’ dat zij resulteerde in de kruisiging. hupo-memenēkota (hebbende verdragen) is een perfectumvorm die wijst op het blijvende gevolg van Jezus’ volharding, nl. de verlossing van de gelovigen. ‘De zondaren’ zijn hier niet de mensen die in zonde leefden (tollenaars en zondaren, Luc.15:1 En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen.
 ), maar degenen die zich tegen Jezus keerden (Farizeeën, schriftgeleerden, overpriesters). Wanneer de lezers zich dit alles voor ogen stellen, zullen zij zeker niet ‘moe worden in de zielen’, d.w.z. ontmoedigd worden vanwege de ‘tegenspraak’ die zij ondervinden. ‘Bezwijkende’ wijst reeds vooruit naar het citaat in vs.5 En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij door Hem bestraft wordt;
  (Spr.3:11 Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
 ); het gaat om het bezwijken van het geloof.

Uitleg 2 bij Hebreeën 12 : 4

De tegenspraak die Jezus had verdragen, was uitgelopen op Zijn kruisiging; de lezers waren echter nog niet met het martelaarschap geconfronteerd. Heb.10:32-34 Doch gedenkt de vorige dagen, in welke, nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel strijd des lijdens hebt verdragen.
Ten dele, als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt; en ten dele, als gij gemeenschap gehad hebt met degenen, die alzo behandeld werden.
Want gij hebt ook met mijn banden medelijden gehad, en de beroving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelf een beter en blijvend goed in de hemelen.
spreekt wel over lijden, gevangenschap en inbeslagname van bezittingen, maar nog niet over doodvonnissen. Wanneer deze brief bestemd was voor joodse gelovigen in Palestina richt de schrijver zich tot de tweede generatie christenen. Immers, vlak na het ontstaan van de gemeente waren Stephanus (Hand.7:60 En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En toen hij dat gezegd had, ontsliep hij. ) en Jacobus (Hand.12:2 En hij doodde Jakobus, de broeder van Johannes, met het zwaard.
 ) wel terechtgesteld. mechrishaimatos (tot bloed, ten bloede) kan eigenlijk alleen letterlijk worden genomen: ‘tot er bloed vloeit’. ‘Strijdende tegen de zonde’ zal hier dan ook niet in de eerste plaats betrekking hebben op het afleggen van de zonde (zie comm. vs.1, vgl. Rom.6:12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden van dat lichaam.
  ; Jak.4:1 Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren?
 ; 1Pet.2:11 Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;
 ), maar op het weerstand bieden aan de verleiding tot afval. ‘De zonde’ moet in de eerste plaats in verband gebracht worden met ‘de zondaars’ (vs.3), de tegenstanders van de gemeente en van het christelijk geloof. Zij trachtten de gelovigen d.m.v. vervolgingen te bewegen tot afval en hen terug te brengen tot een wettische vorm van jodendom. Op het gevaar van deze verleiding wijst de schrijver voortdurend (Heb.2:1 Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien.
 ; 3:12,Ziet toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos, ongelovig hart, om af te wijken van de levende God;
  13Maar vermaant ekander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde toor de verleiding der zonde.
  10:35Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.
 36 Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, de wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen;
 ). Het is belangrijk om op te merken dat de gelovigen nergens tot strijd of haat tegen de vervolgers, tegen ‘de zondaars’ (vs.3) worden aangemoedigd; zij moeten slechts weerstand bieden tegen ‘de zonde’, de verleiding.

Uitleg 2 bij Hebreeën 12 : 5

Het lijden en de vervolgingen die de lezers overkomen, moeten zij niet beschouwen als zinloos, maar als een ‘tuchtiging van de Heer’ (Spr.3:11 Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
 ), d.w.z. het lijden moet niet worden opgevat als een gebrek aan Gods liefde, maar juist als een bewijs van Zijn liefde, een bewijs van het zoonschap van de lezers. De achterliggende gedachte is dat de Vader Zijn zonen tuchtigt om hen geestelijk volwassen te maken en voor te bereiden op de hemelse heerlijkheid (vgl. Heb.2:10 Want het betaamde Hem, om Wie alle dingen zijn, en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.
 ; 1Kor.11:32 Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
 ; 1Pet.4:17Want het is de tijd, dat het oordeel begint van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn van hen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?
 19 Zo dan ook die lijden naar de wil van God, dat zij hun zielen Hem, als de getrouwe Schepper, aanbevelen met weldoen. ).
De eerste woorden van dit vers kunnen als een vraag (Hebt u vergeten?), maar ook als een constatering worden gelezen (U hebt vergeten). Het Schriftcitaat uit Spr.3:11 Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
  (LXX) wordt op een ongebruikelijke manier ingeleid; een ‘vermaning’ uit de Schrift wordt sprekend ingevoerd. De Schrift spreekt, omdat God door haar spreekt! Dit Schriftgedeelte spreekt de gelovigen aan ‘als zonen’ (vgl. Heb.2:10 Want het betaamde Hem, om Wie alle dingen zijn, en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen. ). Aan het citaat uit Spr.3:11 Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;  (LXX) is het woordje ‘mijn’ (mijn zoon) toegevoegd, waardoor het nog meer een persoonlijk karakter krijgt. Dat God de gelovigen wel eens pijnlijk tuchtigt vinden we in het OT vaker (vgl. Job 5:17-19 Zie, gelukzalig is de mens, die God straft; daarom verwerp de kastijding van de Almachtige niet.
Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.
In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.
 ; Ps.118:18 De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
 ). Het gering achten van de tuchtiging betekent dat men het nut ervan niet wil inzien en ook zal trachten deze tuchtiging te ontlopen. Dikwijls konden de gelovigen het lijden ontlopen door het geloof op te geven (vgl. vs.3), d.w.z. door Jezus Christus te verloochenen en terug te keren naar het jodendom. Paulus tekent ons in Gal.6:12  Allen, die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleen opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden.
 een situatie waarbij gelovigen zich lieten besnijden om niet meer vervolgd te worden

Uitleg 2 Hebreeën 12 : 6

Het citaat uit Spr.3:11 Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;   wordt gewoon voortgezet. De Hebreeuwse tekst heeft hier: ‘Want de Here tuchtigt wie Hij liefheeft, zoals een vader een zoon aan wie hij welgevallen heeft’. Aangezien in het Hebreeuws de klinkers ontbraken, konden de woorden ke’āv (zoals een vader) door de vertalers van de LXX gelezen worden als ke’ēv (hij pijnigt). Daarmee wordt God ook het onderwerp van de tweede helft van dit vers.
Iedere zoon die Hij aanneemt’ wordt betrokken op de gelovigen (vgl. vs.8 Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen.
  ). Zij zijn immers door Jezus Christus aangenomen zonen van God (vgl. Heb.2:10 Want het betaamde Hem, om Wie alle dingen zijn, en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen. ; Rom.8:14-16Want zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.  Want gij hebt niet ontvangen de Geest der dienstbaarheid weer tot vreze, maar gij hebt ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen, door Wie wij roepen: Abba, Vader! Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.
  9:26En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gij zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen van de levende God genaamd worden.
  2Kor.6:18En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige.  Gal.3:26Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus.
  4:5-7Opdat Hij hen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.
En aangezien gij kinderen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook erfgenaam van God door Christus.
  Ef.1:5 Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil;
 ).
Dat tuchtiging een belangrijk onderdeel vormt van een goede opvoeding wordt vooral in het boek Spreuken naar voren gebracht, vgl. (Spr.13:1Een wijs zoon hoort de tucht van de vader; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
 24Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.  19:18Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
  22:15De dwaasheid is in het hart van de jongen gebonden; de roede der tucht zal ze ver van hem wegdoen.
  23:13vv.; Weer de tucht van de jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.
 Spr.29:15De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zich zelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
 17), Tuchtig uw zoon, en hij zal u rust verschaffen, en hij zal uw ziel vermakingen geven.  zie ook (Ef.6:4); En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.
  (1Tim.3:4), Die zijn eigen huis wèl regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid;  evenals de gedachte dat ook de volwassene af en toe een harde terechtwijzing nodig heeft (Spr.12:1Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.
  15:10De tucht is onaangenaam voor hem die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.
 32;  Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.  19:25Sla de spotter, zo zal de onverstandige kloekzinnig worden; en bestraf de verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
  20:30;   27:6  ).