Johannus 15 : 1 -10

Johannus 15 : 1 - 10

(15,1-17) Jezus is Gods vruchtbare wijnstok

Terecht behandelt Puthenkandathil de eerste perikoop van het wandelgesprek (15,1-17) als een eenheid die de relatie tussen de Meester en zijn leerlingen verwoordt. Binnen die eenheid kan wel een tweedeling worden gemaakt. In 15,1-11 verduidelijkt Jezus via het beeld van wijnstok en ranken hoe Hij de liefde van zijn Vader doorgeeft aan zijn discipelen. In 15,12-17 vraagt Hij dat zij die liefde op hun beurt onderling bewaren en doorgeven in de wereld. Beslist onjuist is het om met 15,9-10 een nieuwe perikoop te laten beginnen. Deze beide verzen verduidelijken namelijk wat Jezus met het beeld van wijnstok en ranken wilde zeggen. 'In Mij blijven' betekent blijven bij zijn liefde.

Jezus opent het wandelgesprek met de woorden: Ik ben de ware wijnstok

(15,1). Hoe komt Hij bij deze 'Ik ben' uitspraak? Was die misschien ingegeven door de zojuist gehouden paschamaaltijd, waarbij Jezus had gesproken over de vrucht van de wijnstok (Grotius, Bouma, Van den Bussche)? Maar elke verwijzing naar wijn of naar Jezus' bloed ontbreekt hier. Passeerde het gezelschap onderweg een muur waartegen wijnranken opklommen (Godet) of stond men in de tempel even stil bij het centrale heiligdom waarvan de ingang versierd was met gouden wijnranken (Westcott)? Wat ook de directe aanleiding voor deze uitspraak is geweest, de wijnstok zelf was in Israël een nationaal symbool bij uitstek. Niet alleen als beeld van een buitengewoon vruchtbaar land, maar ook omdat Israël in de bijbel geldt als een bijzondere aanplant van God in de wereld. Volgens Psalm 80,9-16 (Vers 9  Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt hem geplant;
Vers 10  Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortels doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft.
Vers 11  De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen Gods.
Vers 12  Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee, en zijn scheuten tot aan de rivier.
Vers 13  Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken, zodat allen die op de weg voorbijgaan, hem plukken?
Vers 14  Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild des velds heeft hem afgeweid.
Vers 15  O God der heerscharen! keer toch weer; aanschouw uit de hemel, en zie, en bezoek deze wijnstok,
Vers 16  En de stam, die Uw rechterhand geplant heeft, en dat om de zoon, die Gij U gesterkt hebt!)
 bijvoorbeeld is het volk een wijnstok, door God uit Egypte uitgegraven en in eigen grond geplant, waar hij wortel schoot en verder uitgroeide. Daarom noemt Jezus zijn Vader de Landeigenaar (geoorgos: agrariër). God is de grote Planter, de Wijnbouwer die zijn wijnstokken regelmatig onderhoudt, de groei van de ranken waar nodig corrigeert en de kwaliteit van de druiven zorgvuldig bewaakt.

Nu stellen verschillende uitleggers dat Jezus zich de ware wijnstok noemt, omdat Israël een onvruchtbare wijnstok is gebleken (Weiss, jauberr, Carson). Inderdaad was volgens de profeten Gods wijnstok in de loop der jaren verwilderd (Jr.2,21;(Vers 21  Ik had u toch geplant, een edele wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe zijt gij Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemde wijnstok?)
 Ez.15,1-8;(Vers 1  En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
Vers 2  Mensenkind, wat is het hout van de wijnstok meer dan alle hout, of de wijnrank meer dan wat onder het hout van een woud is?
Vers 3  Wordt daarvan hout genomen, om een werkstuk te maken? Neemt men daarvan een pin, om enig vat daaraan te hangen?
Vers 4  Ziet, het wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd worde; het vuur verteert zijn beide einden, en zijn middelste wordt verbrand; zou het deugen voor een werkstuk?
Vers 5  Ziet, toen het geheel was, werd het tot geen werkstuk gemaakt; hoeveel te minder als het vuur dat verteerd heeft, zodat het verbrand is, zal het dan nog tot een werkstuk gemaakt worden?
Vers 6  Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Zoals het hout van een wijnstok is onder het hout van het woud, hetwelk Ik aan het vuur overgeef, opdat het verteerd worde, alzo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven.
Vers 7  Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen zetten; als zij van het ene vuur uitgaan, zal het andere vuur hen verteren; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn aangezicht tegen hen gesteld zal hebben.
Vers 8  En Ik zal het land woest maken, omdat zij zwaar overtreden hebben, spreekt de Heere HEERE. Ez.19,10-14;Vers 10  Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren.
Vers 11  En hij had sterke stokken tot scepters der heersers, en de stam van elke stok werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte zijner takken.
Vers 12  Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt, en ter aarde geworpen, en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd; zijn sterke stokken zijn afgebroken en zijn verdroogd; het vuur heeft ze verteerd.
Vers 13  En nu is hij geplant in een woestijn, in een dor en dorstig land.
Vers 14  Daartoe is een vuur uitgegaan uit een stok van zijn ranken, dat zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke stok is tot een scepter, om te heersen. Dit is een weeklacht, en is tot een weeklacht geworden. Hos.10,1)Vers 1  Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weer vrucht voor zich; maar naar de veelheid van zijn vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid van zijn land, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt.
 en viel de opbrengst van zijn wijngaard Israël vaak bitter tegen (Js.5,1-7;Vers 1  Nu zal ik mijn Beminde een lied van mijn Liefste zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vette heuvel.
Vers 2  En Hij heeft die omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in zijn midden een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.
Vers 3  Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard.
Vers 4  Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?
Vers 5  Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal: Ik zal zijn omheining wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
Vers 6  En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch met de hak bewerkt worden, maar distels en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.
Vers 7  Want de wijngaard van de HEERE der heerscharen is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen; en Hij heeft gewacht op recht, maar ziet, het is schurft, op gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.
 27,2-6;Te dien dage zal er een wijngaard van rode wijn zijn; zingt daarvan bij beurte.
Vers 3  Ik, de HEERE, behoed die, elk ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.
Vers 4  Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik op hem zou aanvallen, en hem tegelijk verbranden zou?
Vers 5  Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken, vrede zal hij met Mij maken.
Vers 6  In het toekomende zal Jakob wortels schieten, Israël zal bloeien en groeien; en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen.
 Jr.12,10-11).Vers 10  Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewenste akker gesteld tot een woeste wildernis.
Vers 11  Men heeft hem gesteld tot een woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot Mij; het ganse land is verwoest, omdat er niemand is, die het ter harte neemt.
 Dit motief van tegenvallende productie heeft Jezus ook in verschillende gelijkenissen gebruikt, zoals die over de onrechtvaardige pachters (Mt.21,33-41;Vers 33  Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en een heining daarom zette, en een wijnpersbak daarin groef, en een toren bouwde, en verhuurde die aan de landlieden, en reisde buitenslands.
Vers 34  Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen.
Vers 35  En de landlieden, zijn dienstknechten nemende, hebben de ene geslagen, en de andere gedood, en de derde gestenigd.
Vers 36  Weer zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun evenzo.
Vers 37  En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien.
Vers 38  Maar de landlieden, de zoon ziende, zeiden onder elkander. Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.
Vers 39  En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten de wijngaard, en doodden hem.
Vers 40  Wanneer dan de heer van de wijngaard komen zal, wat zal hij die landlieden doen?
Vers 41  Zij zeiden tot hem: Hij zal de kwaden een kwade dood aandoen, en zal de wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op hun tijden zullen geven.
 Mc.12,1-9;Vers 1  En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een heining daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de landlieden en reisde buitenslands.
Vers 2  En toen het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht van de wijngaard.
Vers 3  Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.
Vers 4  En hij zond weer een andere dienstknecht tot hen, en die stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem,/I> heen, schandelijk behandeld zijnde.
Vers 5  En weer zond hij een andere, en die doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.
Vers 6  Toen hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook die ten laatste gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.
Vers 7  Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.
Vers 8  en zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten de wijngaard.
Vers 9  Wat zal dan de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en de wijngaard aan anderen geven.
 Lc.20,9-16)Vers 9  En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde die aan landlieden, en trok een lange tijd buitenslands.
Vers 10  En toen het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht van de wijngaard geven zouden; maar de landlieden sloegen hem, en zonden hem leeg heen.
Vers 11  En weer zond hij nog een andere dienstknecht; maar ook die geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem leeg heen.
Vers 12  En weer zond hij nog een derde; maar zij verwondden ook deze, en wierpen hem uit.
Vers 13  En de heer van de wijngaard zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon zenden; mogelijk deze ziende, zullen zij hem ontzien.
Vers 14  Maar toen de landlieden hem zagen, overlegden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis de onze wordt.
Vers 15  En toen zij hem buiten de wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer van de wijngaard hun doen?
Vers 16  Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal de wijngaard aan anderen geven. En toen zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!
 en over de onvruchtbare vijgenboom (Lc.13,6-9).Vers 6  En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.
Vers 7  En hij zeide tot de wijngaardenier: Zie, ik kom nu drie jaren, zoekende vrucht op deze vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttig de aarde?
Vers 8  En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;
Vers 9  En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem later uithouwen.
 Toch speelt de tegenstelling tussen Jezus en Israël in Johannes 15 zeker geen hoofdrol (Berig, Schnackenburg, Becker). Bovendien is 'waar' (alèthinos) bij Johannes altijd een positief begrip, verbonden met de waarachtige God die leven schenkt (1,9Vers 9  Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een ieder mens, komende in de wereld.
; 6,32-33;Vers 32  Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Mozes heeft u niet gegeven het brood uit de hemel; maar Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit de hemel.
Vers 33  Want het Brood Gods is Hij, Die uit de hemel neerdaalt, en Die aan de wereld het leven geeft.
 7,28;Vers 28  Jezus dan riep in de tempel, lerende en zeggende: En gij kent Mij, en gij weet, van waar Ik ben; en Ik ben van Mijzelf niet gekomen, maar Hij is waarachtig, Die Mij gezonden heeft, Welke gij niet kent.
 17,3;Vers 3  En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
 1 Joh.5,20).Vers 20  Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en ons het verstand heeft gegeven, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.
 Jezus presenteert zich als de ware wijnstok omdat Hij de nieuwe, levenskrachtige aanplant van God is die de tegenvallende opbrengst van Gods wijngaard Israël doet vergeten. De grote Wijnbouwer heeft zijn zoon Jezus Christus als een hemelse stek in de aarde geplant, een exclusieve wijnstok die zich zal gaan vertakken in vele ranken en die vrucht zal dragen in heel de wereld (verg. Burge'). Straks rankt Gods welige wingerd over de muur van de wijnberg heen!

Ook het beeld van de wijnstok houdt verband met de afscheidssituatie.

Jezus maakt duidelijk hoe in de toekomst de onderlinge relaties zullen zijn. Wanneer Hij straks weggaat, laat Hij zijn leerlingen niet los. Zij blijven met elkaar verbonden als ranken aan dezelfde wijnstok. Het is de taak van Jezus' leerlingen en vrienden vrucht te dragen in de wereld en daarmee de Vader te verheerlijken. Waaruit die vrucht zal bestaan, wordt nog niet direct gespecificeerd. Op dit moment gaat het vooral om de vruchtbaarheid

van de wijnstok zelf: de ranken moeten geschikt zijn om veel vrucht te dragen. Uit het vervolg blijkt dat de vrucht zal bestaan uit mensen die door het woord van de apostelen in Jezus geloven (zie hierover verder bij 15,8Vers 8  Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.
 en 15,16).Vers 16  Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van de Vader begeren zult in Mijn naam, Hij u dat geve.
 De beeldspraak van wijnstok en ranken vertakt zich naar twee kanten toe, zodat zichtbaar wordt hoe de hemelse Wijnbouwer uiteindelijk aan een goede productie komt in de wereld. Schematisch is dit als volgt weer te geven:

wijnbouwer de Vader

wijnstok Jezus

ranken leerlingen/vrienden

vrucht (gelovigen)

Het werk van de hemelse Wijnbouwer wordt beschreven in termen die in het Grieks veel op elkaar lijken (15,2-3  Vers 2  Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
Vers 3  Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.
). Helaas is het onmogelijk om in een Nederlandse vertaling aan alle woordspelingen uit de oorspronkelijke tekst recht te doen, maar in ieder geval moet zowel de terminologie van de wijnbouw als het verband tussen vers 2 en vers 3 bewaard blijven. Zoals namelijk een wijnbouwer zijn wijnstok eigenhandig in onderhoud heeft, zo wordt de kring van leerlingen rond Jezus door het woord van zijn Vader gezuiverd:

(2) Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt, die snoeit Hij (airei) en elke die wel vrucht draagt, die krent Hij (kathairei), zodat zij meer vrucht draagt.

(3) Jullie zijn reeds gezuiverd (katharoi) vanwege het woord dat Ik tot jullie gesproken heb.

Het werk van de wijnbouwer bestaat in het snoeien en krenten van de verschillende loten die aan de wijnstok ontspruiten. Hij voert twee preventieve maatregelen uit om alle belemmeringen voor de verdere groei weg te nemen (Laney). Sommige uitlopers zijn onvruchtbaar. Daarom wordt elke rank aan de wijnstok die geen vrucht draagt in de winter gesnoeid door die af te breken en te verwijderen. Zulke ranken laten trouwens ook gemakkelijk los. Ze worden weggegooid en na verloop van tijd verbrand (15,6 Vers 6  Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijk de rank, en is verdord; en men vergadert ze, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
). Maar ook alle vruchtbare uitlopers van de wijnstok hebben verdere behandeling nodig om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Daarom wordt elke rank die wel vrucht draagt in het voorjaar gekrent: de jonge druiventrossen worden uitgedund door kleine of slechte vruchtjes tussen de andere uit te plukken om zodoende grotere druiven te krijgen. Zo wil ook Jezus' Vader de vruchtbaarheid van zijn wijnstok verhogen door alle vormen van wildgroei tegen te gaan. Snoeien doet groeien! Op zoek naar goede vruchten neemt de hemelse Wijnbouwer elke rank apart onder handen. Wilde loten verwijdert Hij en vruchtbare dunt Hij uit.

Derickson vertaalt airei als 'optillen (vanaf de grond]'. Onvruchtbare ranken zouden dan door de wijnbouwer niet verwijderd maar opgebonden worden, zodat ze voldoende Licht en lucht krijgen om alsnog vrucht te kunnen dragen. Die verwachting ontbreekt in de tekst echter bij de onvruchtbare rank, terwijl van verhoogde vruchtbaarheid alleen sprake is bij de vruchtbare rank. Omdat het gebruikte werkwoord meestal betekent 'iets optillen om het te verwijderen' (verg. 1,29 Vers 29  Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!
 ; 19,15 Vers 15  Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruisig Hem! Pilatus zeide tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, dan de keizer.
 ), moeten we binnen vers 2 een scherp contrast aannemen tussen snoeien en krenten (zo ook Carson).

Eerder op diezelfde avond waren de leerlingen nog met beide ingrepen geconfronteerd. Er was gesnoeid in de discipelkring. Tijdens het paschamaal had Judas Iskariot zich verwijderd en daarmee was hij van hogerhand uit hun midden verwijderd. Het aantal ranken aan de wijnstok Jezus was met één gereduceerd tot elf. Maar er was ook gekrent in de discipelkring. Jezus had Simon Petrus tijdens de voetwassing de mond gesnoerd. En in het algemeen kan Hij nu stellen dat zijn leerlingen gekrent of gezuiverd zijn door het woord dat Hij gesproken heeft. Jezus zegt niets anders dan de Vader. Door zijn woord was hun ongeloof beknot, hun hoogmoed gekortwiekt. Zo had de grote Wijnbouwer alle ranken aan zijn wijnstok gecontroleerd, een onvruchtbare weggesnoeid en de overige geschikt gemaakt om veel druiven te dragen. Door het verdwijnen van Judas is de zuivering compleet (verg. 13,10 Vers 10  Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen.
). Weggenomen is elke groeibelemmering. En de trouw gebleven leerlingen zijn door het onderwijs van hun Meester voldoende toegesneden op hun taak als zijn 'uitlopers' in de wereld.

In 15,4-6 Vers 4  Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijk de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, zo zij niet in de wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.
Vers 5  Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
Vers 6  Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijk de rank, en is verdord; en men vergadert ze, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
 werkt Jezus het beeld van wijnstok en ranken uit voor de onderlinge verhouding tussen Hem en zijn leerlingen. 'Blijf aan Mij, zoals Ik aan jullie'. Het blijven is wederzijds (6,56 Vers 56  Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.
 ). Los van de wijnstok kan de rank geen vrucht dragen. Zo moeten Jezus' leerlingen met Hem verbonden blijven, wil er iets goeds uit hun onderlinge relatie groeien. Omgekeerd is de wijnstok natuurlijk vergroeid met zijn ranken. Eigenlijk is het dan de wijnstok zelf, die vruchten voortbrengt. De discipelen, door Jezus geroepen en met Hem verbonden, zijn de vruchtbare uitlopers van Gods levenskrachtige stek in de wereld. Voorwaarde daarvoor is dat zij zich niet van Hem losmaken, maar aan Hem gehecht blijven. Samen met Hem zijn alle dingen mogelijk; zonder Hem kan men niets doen. De verbondenheid tussen de Meester en zijn leerlingen leidt tot toenemende vruchtbaarheid. Een trouwe apostel ziet zijn werk in Jezus' naam geweldig groeien. Maar een apostel die zijn eigen leven leidt, is als een weggesnoeide rank die over de muur van de wijngaard geworpen wordt en verdort. Later verzamelt men zulke ranken en werpt ie in het vuur. Zo zullen ze verbrand worden als nutteloos afval. Het zijn met name de engelen, die zich in het gericht met vuilverzameling en -verbranding zullen bezighouden (verg. Ez.15,1-8 Vers 1  En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
Vers 2  Mensenkind, wat is het hout van de wijnstok meer dan alle hout, of de wijnrank meer dan wat onder het hout van een woud is?
Vers 3  Wordt daarvan hout genomen, om een werkstuk te maken? Neemt men daarvan een pin, om enig vat daaraan te hangen?
Vers 4  Ziet, het wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd worde; het vuur verteert zijn beide einden, en zijn middelste wordt verbrand; zou het deugen voor een werkstuk?
Vers 5  Ziet, toen het geheel was, werd het tot geen werkstuk gemaakt; hoeveel te minder als het vuur dat verteerd heeft, zodat het verbrand is, zal het dan nog tot een werkstuk gemaakt worden?
Vers 6  Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Zoals het hout van een wijnstok is onder het hout van het woud, hetwelk Ik aan het vuur overgeef, opdat het verteerd worde, alzo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven.
Vers 7  Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen zetten; als zij van het ene vuur uitgaan, zal het andere vuur hen verteren; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn aangezicht tegen hen gesteld zal hebben.
Vers 8  En Ik zal het land woest maken, omdat zij zwaar overtreden hebben, spreekt de Heere HEERE. en Mt.13,40-42 Vers 40  Gelijk dan het onkruid vergaderd, en met vuur verbrand wordt, alzo zal het ook zijn in de voleinding van deze wereld.
Vers 41  De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen;
Vers 42  En zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
 ).

'Blijf aan Mij': dat betekent voor de discipelen blijven bij zijn woorden en zo vrucht dragen (15,7-8 Vers 7  Indien gij in mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden.
Vers 8  Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.
). Zoals zij al gezuiverd waren door zijn woord als geheel (15,3: logos,Vers 3  Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.
 ), zo blijven in de toekomst zijn afzonderlijke woorden (rhèmata) een vruchtbare voedingsbodem voor hun relatie met Hem. Ook wanneer Hijzelf weggaat, zullen zijn woorden blijven! Die eens gesproken woorden behouden hun waarde en vormen een permanente verbinding tussen de hemelse wijnstok en zijn ranken. Met Jezus verbonden blijven betekent dus Hem op zijn woord geloven en zijn levenskracht doorgeven. In deze vruchtbare relatie zullen de leerlingen beginnen met vragen {Godet). De vruchtbaarheid van hun werk hangt af van de vrijmoedigheid van hun gebed. Zij mogen vragen wat ze willen - het zal gebeuren: het wórdt voor hen gedaan. Jezus had in 14,13-14Vers 13  En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde.
Vers 14  Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.
  al beloofd te zullen doen wat zijn leerlingen zouden vragen in zijn naam, tot verheerlijking van zijn Vader. Bij hun onbeperkte apostolische volmacht behoort ook een gegarandeerde verhoring van hun apostolisch bidden. In Jezus' naam is niets onmogelijk!

De Vader van Jezus wordt verheerlijkt, als zijn discipelen veel vrucht (karpon polun) dragen. Had de grote Wijnbouwer zijn hemelse Wijnstok niet geplant voor de wijnproductie? Hij had elke rank zorgvuldig gecontroleerd om groeibelemmeringen weg te nemen en de vruchtbaarheid te bevorderen. Wat is een wijnstok zonder druiven? Onvruchtbare ranken doen aan God tekort, want dan heeft Hij geen eer van zijn werk. Daarom geeft Jezus zijn leerlingen de opdracht veel vrucht te dragen en daarmee God de Vader te verheerlijken. Op die manier zullen ze worden wat ze al zijn: vruchtbare uitlopers van de ware wijnstok, door de Vader geplant in deze wereld. Zij groeien steeds meer in hun opdracht. En juist door de vruchtbaarheid van hun werk blijken zij de ware discipelen te zijn (in tegenstelling tot de valse profeten: Mt.7,15-20 Vers 15  Maar wacht u van de valse profeten, die in schaapskleren tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.
Vers 16  Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?
Vers 17  Alzo iedere goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.
Vers 18  Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.
Vers 19  Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Vers 20  Zo zult gij ze dan aan hun vruchten kennen.
). 'Door veel vrucht te dragen, zullen jullie tonen discipelen voor Mij te zijn.' (zie bij 13,35Vers 35  Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander.
 ).

Waarin zal die vrucht bestaan? Hoewel gewoonlijk wordt gedacht aan de goede werken van het geloof, dus aan het houden van de geboden in het algemeen, legt Jezus hier een speciale relatie met het discipelschap van zijn leerlingen: door hun activiteit zal het aantal volgelingen groeien. Zelf had Hij over 'vrucht' gesproken in Samaria, toen het erom ging de oogst binnen te halen van gelovige mensen uit Sichar (4,36-38Vers 36  En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te zamen verblijden, beiden, die zaait en die maait.
Vers 37  Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait.
Vers 38  Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan.
 ). En later gebruikte Hij voor zichzelf het beeld van een stervende graankorrel die 'veel vrucht' voortbrengt (12,24: polun karpon Vers 24  Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft het alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.
 ). Zo zullen er ook veel druiven groeien aan de ware wijnstok. En de discipelen, als ranken met die wijnstok verbonden, zullen vruchtbaar werk doen door mensen te winnen voor hun Meester (zo terecht Schlatter, Hoskyns, Thüsing, Pazdan, Stibbe; verg. Rom.1,13 Vers 13  Doch ik wil niet, dat u onbekend is, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen (en tot nog toe verhinderd ben geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, zoals ook onder de andere heidenen.
 ; Fil.1,22Vers 22  Maar te leven in het vlees, of dat mij vruchtbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet.
 ; Kol.1,6 Hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de gehele wereld, en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van die dag af dat gij gehoord hebt, en de genade Gods in waarheid bekend hebt.
 ). Het is de vrucht van hun biddend apostolaat, wanneer die mensen tot Gods eer gaan leven. Daarmee zal de Vader verheerlijkt worden, want dit alles is uiteindelijk de vrucht van zijn liefde in Jezus Christus.

Zoals Jezus geworteld is in de liefde van de Vader, zo hebben zijn leerlingen hun wortels in Hem (15,9-11 Vers 9  Gelijk de Vader mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde.
Vers 10  Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijk Ik de geboden van Mijn Vader bewaard heb, en blijf in Zijn liefde.
). Goddelijke liefde is het levenssap dat via de wijnstok naar de ranken stroomt. Het ontvangen van liefde leidt tot het (door)geven van liefde. Dit geldt zowel voor de Meester zelf als voor de groep leerlingen rondom Hem. De liefdesrelatie tussen Jezus en zijn Vader staan model voor die tussen Jezus en zijn discipelen. Omdat Hij een liefhebbende Vader in de hemel had, kon Hij op aarde zijn leerlingen liefhebben. En op hun beurt moeten zij voortaan in de sfeer van zijn liefde blijven. Dat gebeurt door zijn geboden te bewaren. Een liefhebbende leerling is dus herkenbaar aan zijn gehoorzaamheid: in liefde trouw zijn. Binnen zo'n relatie van liefde en trouw wil Jezus zijn blijdschap overbrengen op de discipelen en tot hun blijdschap maken. Het doel van heel dit wandelgesprek is immers hun die volle vreugde mee te geven die Hij zelf ervaart: het diepe besef door God geliefd te zijn, alles van Hem te ontvangen en door Hem bewaard te worden (16,24 Vers 24  Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam; bidt, en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.
; 17,13 Vers 13  Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijn blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelf.
)